Het is half elf 's avonds en je hebt 9.400 stappen. Nog zeshonderd te gaan voor die ronde tienduizend. Je kent het misschien: dan loop je toch nog een blokje om, niet omdat je lijf erom vraagt, maar omdat het getal anders zo onaf blijft staan. Daar zit precies de dubbele kant van een stappenteller.
Wat een teller goed doet
Voor veel mensen werkt het zien van een getal verrassend motiverend. Het maakt iets abstracts zichtbaar: je had geen idee dat je op kantoordagen amper drieduizend stappen haalt en in het weekend ineens twaalfduizend. Die spiegel kan een zetje geven om de auto vaker te laten staan of na het eten nog even naar buiten te gaan.
Het hoeft niets te kosten. Je telefoon telt je stappen al, en een simpele stappenteller voor een paar euro doet precies hetzelfde als een dure smartwatch. De cijfers verschillen wat per apparaat, maar voor het doel, namelijk een ruwe indruk van je dagelijkse beweging, maakt die marge niets uit. Laat je dus geen duur horloge aansmeren voor iets wat een goedkoop klipje ook regelt.
Wanneer het je tegenwerkt
De keerzijde is dat een getal ook stress kan geven. Sommige mensen voelen zich schuldig bij een lage dag, of raken juist gefixeerd op de tienduizend, een grens die ooit uit een marketingcampagne kwam en niet uit onderzoek. Minder kan prima genoeg zijn, en een dag met weinig stappen is geen mislukking.
- Gebruik het getal als richtlijn, niet als baas.
- Een rustdag zonder stappen halen mag, zonder schuldgevoel.
- Vergelijk jezelf met je eigen gemiddelde, niet met anderen.
Als je merkt dat je gespannen raakt van het cijfer, of dat je gaat lopen om de teller te plezieren in plaats van omdat het lekker is, dan is het tijd om het ding een paar dagen weg te leggen. Bewegen hoort goed te voelen. Een teller die je 's avonds nog de straat op jaagt voor zeshonderd stappen heeft zijn doel dan voorbijgeschoten.